Afgrondsnachten

Ik droomde van een poëtisch woord, maar na ontwaken kon ik het me niet meer exact herinneren – en evenmin waar ik het had gelezen. Een reconstructietje.

Ik pijnigde m’n geheugen: in halfslaap was het woord tot me gekomen uit nevelige verten, en het bleef zich maar opdringen. Het was iets als ‘wanhoopsnachten’, wat bij nader inzien, gegeven de context waarin ik het zou terugvinden en waarvan ik de sfeer nu nog voelde, niet zo vreemd was – maar nauwelijks wakker googelend leverde dat geen uitsluitsel op. Jeses, wat was ’t precies en uit welk gedicht kwam het ook alweer? Achterberg, meende ik me te herinneren. Of Wilfred Smit? Wanhoopsnachten, wanhoopsnachten…

In pyjama naar de boekenwand – en daar begon ’t me te dagen: moest het niet ‘afgrondsnachten’ zijn? Verdomd, natuurlijk: Hendrik de Vries, de gekooide vogel van de Nederlandse dichtkunst:

Meteen begreep ik m’n eigen associaties: het roestige station en de knarsende trein van Achterberg in Hulshorst. En met Smit en diens geknipte vingers en het gruwelijke ‘convooi melaatsen’ in Sweet bahnhof. Vertrek, afscheid en een verbeten soort melancholie. Stationspoëzie.

En ik herinnerde me dat ik ooit, in de begintijd van het inmiddels op z’n laatste benen lopende fenomeen Facebook, daar ineens de mededeling las: ‘Hendrik de Vries is op Facebook’, een anachronisme dat nogal op m’n lachspieren werkte, maar dat gegeven de naam waarschijnlijk niet zo héél uitzonderlijk was, hoewel die naam eigenlijk ook uit een andere tijd leek te komen.

Dat nu een woord als ‘afgrondsnachten’ in eerste instantie slechts prozaïsche treffers opleverde van het type ‘1000+ originele overnachtingen’, ‘de mooiste plekjes en adressen’ en ‘uniek slapen: 15 x bijzonder overnachten’ stemt op een of andere manier enorm tevreden.

Screenshot

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *